KAPITALISME
OP Z’N RUSSISCH DEEL 1
Parasieten
aan de top
“Mijn goede
vriend Vladimir”. Zo noemde George W. Bush de Russische president Poetin tijdens
het staatsbezoek dat hij in september 2002 bracht aan de Russische Federatie.
Maar uiteindelijk koos ‘de goede vriend’ na lang dralen en veel twijfels in
het Irak-spektakel de kant van de Europese bondgenoten Frankrijk en Duitsland.
Heeft de Russische bevolking daar enig voordeel van?
door Bas van der Plas
Met de uiteindelijke
keuze tegen de Amerikaanse oorlogshitsers kiest de Russische regering voor
toenadering tot Europa, en dan vooral de Europese grootmachten Duitsland en
Frankrijk. In de ontwikkeling van het Russische kapitalisme zal men het uiteindelijk
ook van Europa moeten hebben. Nu, ruim tien jaar na de ineenstorting van de
Sovjet-Unie is er in de Russische Federatie een nieuwe bourgeoisie ontstaan
die haar eisen aan de regering dicteert, en het is aan Poetin om aan deze
eisen een politieke vorm te geven.
Sinds de
overwinning van Jeltsin op de resten van de stalinistische bureaukratie tijdens
de poging tot staatsgreep van augustus 1991, een gebeurtenis die het einde
van de Sovjet-Unie inluidde, is voor een groot deel van de vroegere Sovjetbevolking
een uitzichtloze periode van ellende, armoede en verval aangebroken. De enigen
die in voorspoed leven zijn degenen die op tijd een greep hebben gedaan naar
de vroegere staatsbezittingen, die op misdadige wijze hebben geprofiteerd
van de ‘privatisering’ en coalities zij aangegaan met de onderwereld. Een
nieuwe klasse ontstond op de puinhopen van de Sovjetstaat, een klasse van
kleptocraten.
In 1992
beloofde Jeltsin zijn landgenoten nog dat door de introductie van een zogenaamde
‘shocktherapie’, dat wil zeggen een snelle overgang van gecentraliseerd staatskapitalisme
naar vrije marktmechanismen, de pijn binne een paar maanden voorbij zou zijn.
En vier jaar later, bij zijn overwinning in de presidentsverkiezingen van
1996 toen hij voor een tweede termijn gekozen werd, liet hij zijn landgenoten
weten: “Nu ben ik er zeker van dat Rusland in 2000 een welvarend, democratisch
land zal zijn.” Inmiddels is al heel lang duidelijk dat de invoering van een
vrije markteconomie in de Russische Federatie tot een regelrechte sociale
catastrofe heeft geleid. De criminaliteit viert hoogtij, corruptie is er op
alle gebied en degenen die zich verrijkt hebben uit de staatskas, de ‘nieuwe
Russen’, doen wat zij willen zonder zich veel van de wetten aan te trekken.
Het herstel van het kapitalisme in Rusland heeft geleid tot de diepste depressie
die ooit in een geïndustrialiseerde economie werd waargenomen. “De economie
van Rusland is bijna ieder jaar geslonken. De produktie is in tien jaar tijd
met ongeveer 53% afgenomen volgens de officiële statistieken. De fysieke infrastructuur
is in verval geraakt: ziekenhuizen, wegen, gevangenissen, scholen en spoorwegen,
met uitzondering van een paar prestigeprojecten in Moskou, zijn in een ongelooflijk
slechte staat. Russen zijn slecht gevoed, slecht gekleed, slecht gehuisvest,
slecht behandeld. Het duidelijkste teken van verval is dat de Russen jong
sterven en dat er zo weinig kinderen worden geboren. De bevolking is ten opzichte
van 10 jaar gelden met 6 miljoen afgenomen.” Dat schreef het Britse blad de
Economist in haar editie van 30 mei 2000.
‘diefstal
van de eeuw’
De Sovjet-Unie
was ontstaan als gevolg van een staatsgreep in november 1917. Na het verslaan
van de ‘binnenlandse vijand’ en geallieerde interventielegers werd de basis
gelegd voor een planeconomie. Buitenlands en binnenlands kapitaal werd onteigend
en er kwam een staatsmonopolie op buitenlandse handel. Mede door de inzet
van een ongekende repressie en terreur, vooral onder de ‘rode dictator’ Josef
Stalin, werd de Sovjet-Unie uiteindelijk van een agrarisch land een moderne
geïndustrialiseerde staat, die evenwel niets met ‘socialisme’ te maken had.
Na de Tweede
Wereldoorlog brak al snel de periode van de Koude Oorlog aan en de bewapeningswedloop
tussen de VS en de Sovjet-Unie leidde tot economische uitputting van de laatste.
Tussen 1960 en 1970 vond er een scherpe daling plaats in de economische ontwikkeling
van de Sovjet-Unie en aan het begin van de jaren 80 van de vorige eeuw
was het absolute dieptepunt bereikt. Tijdens de regeerperiode van Brezjnjev
(1964-82) ontstond al een breedschalige schaduweconomie en namen corruptie
en machtsmisbruik ongekende vormen aan. Brezjnjev’s opvolger Andropov, het
vroegere hoofd van de KGB, poogde de onder Brezjnjev ontstane ‘bandeloosheid’
de kop in te drukken door meer discipline in te voeren. Deze pogingen leidden
wel tot een lichte opleving in de economie die duurde tot het midden van de
jaren 80, maar de structurele problemen van de bureaucratische commando-economie
lieten zich niet oplossen door repressieve maatregelen.
In 1985
werd Michail Gorbatsjov algemeen secretaris van de heersende Communistische
Partij van de Sovjet-Unie. Zijn politiek van perestrojka werd gebracht als
een middel om de effectiviteit en kwaliteit van de economische produktie te
stimuleren door marktgeoriënteerde hervormingen van de planeconomie. De pogingen
van Gorbatsjov leidden tot een steeds fellere machtsstrijd in de partijtop,
waar conservatieve elementen vochten voor behoud van hun positie en privileges.
De eerste belangrijke hervormingsmaatregel van Gorbatsjov was de legalisering
in 1986 van privé-ondernemingen in
de vorm van coöperatieven, die onmiddellijk begonnen met het toepassen van
staatseigendommen voor privédoeleinden. Het jaar daarop verordende Gorbatsjov
dat fabrieksdirecteuren, die tot dan toe door de staat werden benoemd, nu
per onderneming door het personeel gekozen moesten worden. Dit gaf de bedrijfsleidingen
een grote onafhankelijkheid van het bureaucratische staatsapparaat en velen
maakten van de nieuwe vrijheid gebruik om de bezittingen van de ondernemingen
te privatiseren. In veel gevallen verkochten zij grondstoffen of eindprodukten
aan bevriende coöperatieven tegen afbraakprijzen. Deze verkochten daarop de
goederen aan de hoogste bieder, liefst tegen betaling in harde valuta’s, en
de winsten werden gedeeld met de directeuren van de ondernemingen. De ‘diefstal
van de eeuw’, zoals de privatisering van de Sovjeteconomie ook wel genoemd
wordt, was begonnen.
De beslissing
om ondernemingen los te maken van gecentraliseerd beheer en een versoepeling
van het staatsmonopolie op buitenlandse handel leidde tot een onmiddellijke
daling van het nationale inkomen. In het vierde kwartaal van 1990 meldde Goskomstat,
het staatscomité voor statistiek, dat het nationale inkomen met 8,5% was gedaald
in vergelijking met een jaar eerder. En in het eerste kwartaal van 1991 nam
de daling met nog eens 10% toe.
“Rusland
was in 1988-1992 een niemandsland tussen twee systemen. Staatscontrole over
handel en export desintegreerde, maar de prijzen op de binnenlandse markt
bleven onder controle, vaak op absurd lage niveaus. Iedereen die aan olie,
diamanten of metalen kon komen voor roebels, en ze dan in het buitenland voor
dollars kon verkopen, werd plotseling rijk. Dit vereiste wel de oogluikende
toestemming van staatsambtenaren die de noodzakelijke vergunningen afgaven
en de problemen aan de grens verzachtten.” (in: Capitalism-Russian Style,
door Thane Gustafson).
De massale
overboeking van inkomsten naar buitenlandse rekeningen zorgde voor een scherpe
terugval van exportopbrengsten en een groeiende staatsschuld die harde aanvallen
deed op de Russische goudvoorraden en valutareserves. In een poging het tij
te keren werd in 1990-91 de import met 45% gereduceerd, maar de daaruit voortvloeiende
tekorten verstoorden de produktie verder en droegen bij tot een groeiend besef
dat de zaak uit de hand liep. Toen de druk toenam om orde in de chaos te brengen
steunden zowel Gorbatsjov als Jeltsin het ‘500-dagenplan’ van de econoom Stanislav
Sjatalin, voor een snelle overgang naar een markteconomie.
‘normaal’
kapitalisme
De overgang
naar kapitalisme vereiste de omvorming van gemeenschappelijk bezit tot het
eigendom van individuele kapitalisten: het kapitaal. Van 1988 tot 1995 stonden
de deuren in Rusland wijd open voor de brutalen en hun handlangers om zich
staatseigendommen met een waarde van honderden miljarden dollars toe te eigenen.
Deze ‘diefstal van de eeuw’ vormde de Russische economie snel om tot een situatie
die de kapitalistische leerboeken over economie als ‘normaal’ beschouwen:
een kleine, steenrijke elite aan de top en een grote massa verpauperde arbeiders
aan de onderkant van de maatschappij.
Het eerste
stadium voor ‘normale’ kapitalistische verhoudingen in Rusland, een primitief
proces van accumulatie van kapitaal, werd ingeleid met een versoepeling van
de staatscontrole op exporten. Het tweede stadium, een in 1990 begonnen brede
golf van speculatie, werd al in 1987 voorbereid met de beslissing van Gorbatsjov
om het monopolie van de Staatsbank van de Sovjet-Unie te breken als onderdeel
van de campagne om de greep van de centrale planning te versoepelen. In 1991
waren er al 1600 particuliere banken ontstaan. De particuliere banken converteerden
roebelrekeningen met lage rentes van staatsondernemingen in harde valuta’s,
die zij gebruikten voor kortlopende leningen om exporttransacties te financieren.
Bij beide transacties verdienden de banken grote bedragen: op de dollarleningen
bedongen zij hoge rentes en dan nog eens wanneer de dollars weer werden geconverteerd
naar intussen veel minder waard geworden roebels op de rekeningen van de eigenaren.
Na de afschaffing van de prijscontroles in 1992 klom de inflatie naar 2500%.
In dat financiële klimaat kon de vertraging van geldtransacties, al was het
maar met een paar dagen, grote winst opleveren. De bureaucraten die hun roebelrekeningen
voor deze doeleinden lieten gebruiken kregen natuurlijk ook hun stukje van
de taart aangereikt.
In 1992
zette Jeltsin het derde stadium van de primitieve kapitaalaccumulatie in door
de massale privatisering van staatsondernemingen. De fortuinen die waren vergaard
met de bovenomschreven banktransacties werden nu door de oligarchen ingezet
om algehele controle over de economie te krijgen. Architect van Jeltsin’s
privatiseringsprogramma was de nieuwe premier Jegor Gajdar, die in de Sovjetperiode
nog was benoemd tot economisch redacteur van het blad ‘Kommunist’, het belangrijkste
ideologische tijdschrift van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie.
Gajdar gebruikte zijn positie om de overgang naar een markteconomie aan te
bevelen als dé oplossing voor de Sovjetproblemen.
Het programma
van de regering-Gajdar was de shocktherapie, grootschalige privatisering en
een onmiddellijk eind aan de prijscontroles. De maatregelen leidden tot enorme
inflatie die spaarrekeningen van ‘gewone burgers’ in een klap waardeloos maakte,
en het tot bijna nul reduceren van de inkomsten van degenen die op vaste bedragen
in roebels werden uitbetaald, zoals gepensioneerden en werkenden die op roebelcontracten
waren aangesteld. In de geprivatiseerde bedrijven was het al gewoonte salarissen
in dollars te berekenen.
‘het
is gestolen’
In 1999 werden
door het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) de hervormingen
van de Russische economie geëvalueerd. Het ‘Human Development Report for Central
and Eastern Europe and the CIS’ beschrijft het proces aldus: “De meest bepleite hervormingsstrategie ten
tijde van de ineenstorting van de Sovjet-Unie stond bekend als ‘shocktherapie’,
of de ‘big bang’. Er werd vanuit gegaan dat er een zekere ‘pijn’ geleden zou
moeten worden, maar men nam aan dat de pijn van korte duur was en dat de uiteindelijke
voordelen aanzienlijk zouden zijn. De ‘big bang’-strategie onderscheidde drie
fases. Ten eerste zouden staatsondernemingen worden geprivatiseerd met als
resultaat de vorming van een kapitalistische klasse zonder de voorafgaande
noodzaak van de particuliere accumulatie van kapitaal. Ten tweede zouden alle
prijzen volledig worden geliberaliseerd, zodat prijssignalen konden worden
benut voor de opsporing van grondstoffen en de verbetering van de conomische
doeltreffendheid. Ten derde zou buitenlands kapitaal worden gebruikt om de
pijn te verzachten die werd veroorzaakt door een verlaging van produktie en
inkomens.”
Aan het
eind van de jaren 90 had het bovenbeschreven proces er uiteindelijk toe geleid
dat de Russische bourgeoisie uit een tiental clans bestond rond oligarchen
die met elkaar in een strijd gewikkeld waren
om de controle over de staat en de grondstoffen. Het Britse blad The Economist
vroeg zich af waar de buitenlandse leningen aan Rusland waren gebleven: “wat
gebeurde er eigenlijk met het geld dat werd geleend aan de Sovjet-Unie en
aan Rusland? Alles samen bedroeg dat meer dan 150 miljard dollar. In theorie
was het bedoeld voor de import van voedsel en de modernisering van de industrie
en om de openbare financiën te steunen. Maar er is verbazend weinig resultaat
te zien van de grote sommen die ermee gemoeid zijn. “Het is gestolen,” zegt
een ervaren Moskouse investeringsbankier.” (The Economist, 11 januari 2001)
De ‘leningen’
van westerse financiers bedroegen in 1998 30% van het Russische bruto nationaal
produkt. Na toeëigening door een aantal parasieten aan de top van de Russische
maatschappij blijven de leningen toch in de boeken staan als te moeten worden
terugbetaald, met rente, door de verarmde lagen aan de onderkant van die maatschappij.
De situatie lijkt volkomen uitzichtloos en dat is ook de positie waarin Poetin
verkeert, tussen oligarchen en proletariërs. Vraag is welke keuze hij uiteindelijk
maakt in de binnenlandse politieke situatie, nu hij op buitenlands vlak gekozen
heeft voor het kamp van de Europese landen die niet aan het Amerikaanse lijntje
willen lopen.