Op maandag 10 juli 2006 werd het hoofd van de Federale Veiligheidsdienst (FSB), de Russische geheime dienst door president Poetin in een speciale audiëntie ontvangen om op de hoogte te worden gesteld van de dood van de Tsjetsjeense rebellenleider Sjamil Basajev. Basajev werd volgens FSB-chef Nikolaj Patroesjev in de nacht van zondag 9 op maandag 10 juli gedood in de Tsjetsjeense buurrepubliek Ingoesjetië. Dat gebeurde tijdens een ,,speciale operatie'' van de Russische troepen waarbij ook enkele andere rebellen de dood vonden.
door Bas van der Plas
De Tsjetsjeense rebellenbeweging heeft op haar website Kavkazcenter.com de
dood van Basajev bevestigd. Zij stelt dat hij niet om het leven is gekomen door
een Russische vergeldingsactie, zoals Moskou beweert, maar door een 'ongeval'
omdat in zijn konvooi een vrachtwagen met explosieven ontplofte. De Russische
geheime dienst houdt echter vol dat men Basajev heeft gedood en kondigde zelfs
aan dat DNA-onderzoek tot een definitief bewijs zal leiden.
Basajev wordt beschouwd als het brein achter onder meer de gijzelingsactie in
een school in het Noord-Ossetische Beslan. Daardoor kwamen twee jaar geleden
331 mensen, voornamelijk kinderen, om het leven. Ook werd hij genoemd als de
organisator van de gijzeling in het Moskouse Nord-Osttheater in 2002, die 130
slachtoffers eiste en van de gijzeling in een ziekenhuis in de stad Boedjennovsk
in 1995. Dat was de eerste spectaculaire gijzelingsactie in de Russische Federatie
waarbij 1500 gijzelaars betrokken waren en uiteindelijk 147 doden. Bij de acties
in Beslan, Moskou en Boedjonnovsk werden echter veel slachtoffers gemaakt door
vooral het amateuristische en ongecoördineerde optreden van de Russische
troepen die waren belast met het beëindigen van de gijzelingsacties. Vanwege
al deze activiteiten stond Basajev in Moskou te boek als 'Terrorist Nummer Een".
De opkomst van Sjamil Basajev
In ons boek "Kavkaz - bebloede schoonheid aan de Russische Zuidgrens"
1) beschrijven we de opkomst van Sjamil Basajev:
Nadat het Russische leger (tijdens de Eerste Tsjetsjeense Oorlog) een vruchteloze oorlog met partizanen had gevoerd richtten de federale troepen zich nu op de 'zuivering' van Tsjetsjeense dorpen waarbij veel burgers omkwamen. De luchtmacht bombardeerde de 'posities van strijders', maar de bommen kwamen terecht op woonhuizen. Als antwoord executeerden de Tsjetsjenen gevangen genomen officieren en huurlingen van de binnenlandse troepen.Midden juni, een halfjaar na het begin van de operatie, bezette de federale macht de bergdistricten, verdreven de strijders van hun posities en drongen hen terug over de grens met Georgië. Eindelijk zag het er naar uit dat de volledige overwinning nabij was. Als antwoord eiste de Tsjetsjeense raad van veldcommandanten het verplaatsen van de oorlog naar het grondgebied van Rusland. Sjamil Basajev, een van de radicaalste van de Tsjetsjeense veldcommandanten, verklaarde dat hij de activiteiten van een commando-eenheid op zich zou nemen om Moskou te dwingen aan de onderhandelingstafel plaats te nemen. De woorden van Basajev trokken geen aandacht van de Russische regering. Ten onrechte...
Sjamil Basajev leidde in november 1991 de kaping van een vliegtuig uit Mineralny
Vody naar Turkije. Sinds 1992 was hij commandant van diverse groepen Tsjetsjeense
spetsnaz. Toen Abchazië de oorlog tegen Georgië begon ging Basajev
naar het oorlogsgebied aan het hoofd van het detachement van de Confederatie
van Volkeren van de Kaukasus. En hij was een van de leiders van de verdediging
van Grozny. De president van Ingoesjetië, Roeslan Aoetjsev, vertelde later
dat Sjamil Basajev samenwerkte met het hoofd van de inlichtingendienst van de
generale staf van het Russische leger. Dat werd bevestigd door de vroegere FSK-directeur
Sergej Stepasjin. Alleen Stepasjin noemde niet de militaire inlichtingendienst,
maar sprak over 'één van onze speciale diensten'. De medewerking
van Basajev aan 'één van onze speciale diensten' begon tijdens
de oorlog in Abchazië. De Abchazen begonnen een opstand tegen de Georgische
regering, verdreven de Georgische troepen van hun grondgebied en vormden een
door niemand erkende eigen republiek. Velen verbaasden zich toen: hoe kon dat
kleine Abchazië zich afscheiden van het grote Georgië? Abchazië
werd 'niet-officieel' geholpen door Russische militairen met tenminste wapens
en militaire technologie, hoewel niemand dat zou willen erkennen. Maar toen
opereerde daar ook de onbekende Sjamil Basajev.
Spoedig zou Basajev echter in de hele wereld bekend worden. Op 14 juni 1995
gijzelde de groep van Basajev in de stad Boedjonnovsk, Stavropol kraj, meer
dan 1500 mensen en zocht dekking in het gebouw van het stadsziekenhuis. De colonne
vrachtwagens met strijders uit Tsjetsjenië, die niemand tegenhield, was
eigenlijk op weg naar Moskou, om daar Jeltsin te gaan dwingen aan de onderhandelingstafel
plaats te nemen.
De colonne bevond zich bij toeval in Boedjonnovsk toen het gerucht kwam van
een oprukkende Russische speciale eenheid om hen te stoppen. De vrachtwagens
bleven staan voor de stadsafdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken
en de strijders bezetten het gebouw. Later gingen zij met de gijzelaars naar
het ziekenhuis.
Basajev eiste het beëindigen van de oorlog, terugtrekking van de federale troepen uit Tsjetsjenië en het beginnen van onderhandelingen over het verlenen van onafhankelijkheid. Om de ernst van zijn bedoelingen aan te geven werden de eerste zes gijzelaars geëxecuteerd. De volgende dag eiste Basajev dat er journalisten bij hem toegelaten werden. Toen de autoriteiten weigerden werden er nog vijf gijzelaars gedood. Voor de bevrijding van de gijzelaars werd er een stafkwartier gevormd onder leiding van de directeur van de FSK, Sergej Stepasjin, en minister van Binnenlandse Zaken Viktor Jerin. Afdelingen van de oproerpolitie van de FSK en het ministerie van Binnenlandse Zaken poogden met een stormaanval het ziekenhuisgebouw in te nemen. Maar niets lukte, en er kwamen nog eens 30 gijzelaars om het leven. Toen nam de Russische premier Viktor Tsjernomyrdin telefonisch contact op met Basajev en zegde toe onderhandelingen te willen beginnen. Op 18 juni kwam het tot een akkoord: Basajev en zijn strijders mochten vertrekken onder de dekking van 130 gijzelaars. Op het laatste moment ondernamen antiterreureenheden nog een mislukte poging om Basajev aan te houden. In de autobussen, die aan Basajev voor de aftocht ter beschikking waren gesteld, waren cilinders met een bedwelmend gas geplaatst. Maar Basajev was niet zo naïef. Hij verving de chauffeurs door zijn eigen mensen die de gascilinders ontdekten. En Basajev keerde zegevierend terug naar huis. Voor Jeltsin waren de gebeurtenissen in Boedjonnovsk de zoveelste pijnlijke ontwikkeling in het Tsjetsjeense drama.
Ondergang van Basajev
De laatste jaren kwam Basajev echter steeds mee in een isolement. Dit had vooral
te maken met zijn contacten binnen de radicaal-islamitische wereld. Basajev
was oorspronkelijk gematigd en uitsluitend voorstander van een onafhankelijke
Tsjetsjeense Republiek Ichkeria. Maar toen die onafhankelijkheid steeds verder
weg leek stapte hij onder invloed van zijn broodheren, vooral de radicaal Wahhabistische
beweging uit Saoedi-Arabië, over naar het idee van een islamitische republiek
in de Noord-Kaukasus.
Die beweging voor een islamitische republiek in de Noord-Kaukasus begon in
Dagestan. Het voornaamste orgaan van de wahabieten, de Dagestaanse dzjamaat,
maakte in 1997 haar plannen bekend om een 'heilige oorlog' te beginnen tegen
de Russische troepen in de regio en de officiële regering van Dagestan.
De amir (hoofd) van het Dagestaanse dzjamaat, B. Muhammed, waarschuwde in een
van zijn vrijdagse preken: 'Wij zullen deze mensen van onze gronden verbannen
en ter plekke doden, en dat zolang zij niet weggaan van onze gronden, dan wel,
aannemend de islam, zij met overgaan naar onze zijde - dat is voor hen de allerbeste
variant.'
Aan het einde van 1997 gingen de wahabieten over van het woord tot de daad. Het militair commandocentrum van de Dagestaanse wahabieten, het 'Centraal Front voor de bevrijding van Dagestan', voerde in december 1997 een aanval uit op de Russische legereenheid in Boejnaksk. Deze aanval verklaarden zij tot het 'begin van de jihad, die tot doel had de Russische troepen te verjagen, de omverwerping van de pro-Russische leiding van Dagestan en de vorming in de republiek van een islamitische staat'. Een van de gevolgen van de gespannen religieus-politieke situatie in de republiek was de moord op de moefti van Dagestan, S.M. Aboebakarov, een van de uitgesproken tegenstanders van de verspreiding van het wahabisme in de republiek.
Grote militaire bases van de wahabieten werden gevormd op het grondgebied van
Tsjetsjenië in de districten Nozjaj-Yurt en Urus-Martan. Onder controle
van de islamitische radicalen kwamen het commando over de shariaatgardes en
het islamitisch regiment voor speciale opdrachten, een deel van het shariaatsgerecht
en het lokale bestuur. De regering van de Tsjetsjeense president Asian Maschadov
ondernam pogingen om de leiding van de religieus-politieke extremisten tot rede
te brengen en hen onder haar controle te plaatsen, vooral nadat agressieve acties
van de wahabieten conflicten uitlokten met strijders van de organisaties voor
de rechtshandhaving en de lokale bevolking in Urus-Martan, Gudermes, Shali en
andere plaatsen in Tsjetsjenië.
Enkele van de maatregelen die de regering-Maschadov nam werd de operatie tegen
onwettige formaties in Gudermes op 14-16 juli 1998, de ontbinding van de shariaat-gardes
en het islamitisch regiment, opheffing van een reeks regionale shariaatsgerechtshoven
en de reorganisatie van het opperste shariaatsgerechtshof op 20 juli van dat
jaar. De wahabitische oppositie leed toen een ernstige nederlaag en haar leiders
werden gedwongen een verklaring af te leggen over hun loyaliteit aan de president.
Al deze feiten tonen nadrukkelijk aan dat het wahabisme en andere vormen van
islamitisch fundamentalisme konden veranderen in een gevaarlijke factor, die
de toestand in de Noord-Kaukasische regio ernstig zou destabiliseren en de oorzaak
zou kunnen worden van een grootschalig conflict aan de zuidgrens van Rusland.
Daarop speculeerde ook Sjamil Basajev. Ter nadere motivering van deze these
kan worden gewezen op de opmerkelijke groei van het aantal aanhangers van deze
extremistische stroming en de verbreding van hun verspreidingsgebied. Op het
hoogtepunt van de acties van de strijders in Dagestan meldde de correspondent
van de Izvestia, N. Gritsjin, dat 'in het oostelijke deel van Stavropol kraj,
op het grondgebied waar de Nogaj zijn gevestigd, zich geleidelijk de "afgestudeerden"
van de Tsjetsjeense kampen, waar strijders worden opgeleid die tot het wahabisme
bede islam, de vereniging van alle moslims, en de jihad. Voor het bereiken van
deze doelen werden gewapende formaties gevormd, belast met het uitvoeren van
'mogelijke militaire acties'.
De wahabieten beschuldigden de leiding van Dagestan van overtreding van de
wet op de vrijheid van geweten en het beknotten van de belangen van de 'ware
moslims'. Zij verklaarden dat er tussen wahabieten en de leiding van Dagestan
'een toestand van oorlog die geheel voortvloeit uit deze omstandigheden' bestaat.
Daarom, zo wordt gesteld in het Manifest, is het noodzakelijk 'in volle omvang
de islamitische recrutering te activeren en de jihad te voeren tegen het ongeloof
en tegen een ieder die dat belichaamt'. Om zich te vrijwaren van een mogelijke
vervolging van de kant van de Dagestaanse autoriteiten adviseerden de wahabieten
hun aanhangers te verhuizen naar het naburige Tsjetsjenië. Met zogenaamde
'officiële' documenten, waarin werd opgeroepen deze merkwaardige verhuizing
te reguleren, werd eind 1997 in Gudermes een militaire unie gesloten tussen
Tsjetsjeense en Dagestaanse gewapende troepen.
In juli 1998 vond in Grozny het Congres van moslims van de Noord-Kaukasus plaats,
waaraan de invloedrijke religieuze figuren van de regio deelnamen. In resoluties
aan de regeringen van Tsjetsjenië, Ingoesjetië en Dagestan, aangenomen
door het voltallige Congres, werd de eis naar voren gebracht om 'alle extremistische
stromingen buiten de wet te verklaren, het instellen van controle op alle islamitische
onderwijsinstellingen, leerboeken, massamedia, ter voorkoming van het doordringen
van de schadelijke wahabitische ideologie in de maatschappij'. In het kielzog
van deze eis maakte de president van Ingoesjetië, R. Ausjev, een oekaze
bekend over het verbod op wahabitische activiteiten op het grondgebied van de
republiek. En op het grondgebied van het Gudermes-district in Tsjetsjenië,
werd onder de geestelijke leiding van de Tsjetsjeense moefti A. Kadyrov (de
latere marionettenpresident van Tsjetsjenië) een 'van wahabisme vrije zone'
gevormd. In Dagestan werd de wet 'Over een verbod op wahabitische en andere
extremistische activiteiten op het grondgebied van de Republiek Dagestan' aangenomen
na de gewapende inval vanuit Tsjetsjenië. Deze wet vormde de juridische
basis voor verzet tegen religieus extremisme, waaronder het wahabisme.
Vanwege de groeiende contacten met en de betrokkenheid bij de wahabieten vervreemdde Sjamil Basajev zich steeds verder van zijn vroegere bondgenoten en werd Moskou's 'terrorist nummer 1'. De jarenlange jacht op Basajev leidde dan nu tot succes.
Kavkaz, bebloede schoonheid aan de Russische Zuidgrens, door Bas van der Plas.